Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
26 september 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van oplichting en het niet overleggen van administratie na faillissement, met een gevangenisstraf van drie maanden. De officier van justitie had vier maanden geëist. Het hof motiveerde de strafoplegging onvoldoende, met name gaf het geen specifieke redenen voor de keuze van de vrijheidsbenemende straf, zoals vereist door art. 359, zesde lid, Sv.
De Hoge Raad oordeelde dat deze gebrekkige strafmotivering leidt tot nietigheid van de strafoplegging op grond van art. 359, achtste lid, Sv. De overige klachten werden verworpen. De zaak werd vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft en terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de straf.
De feiten betreffen medeplegen van oplichting waarbij de verdachte als bestuurder betrokken was bij een onderneming die goederen bestelde zonder te betalen, en het niet beschikbaar stellen van administratie na faillissement, waardoor schuldeisers benadeeld werden. De rechtbank had rekening gehouden met de ondergeschikte rol van de verdachte bij de oplichting en diens eerdere veroordelingen.
De Hoge Raad benadrukte het belang van een deugdelijke motivering van de strafoplegging, waarbij specifiek moet worden toegelicht waarom een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd. Het ontbreken hiervan maakt de strafoplegging nietig en vereist hernieuwde beoordeling door het hof.
Uitkomst: Het arrest is vernietigd wegens gebrekkige strafmotivering en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde strafoplegging.