Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde en het zesde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
26 september 2017.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin een gevangenisstraf van zeven jaren was opgelegd. De verdediging stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het was afgeweken van het standpunt over de overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd aangevoerd dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden door late inzending van stukken.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest voor wat betreft de strafoplegging en tot vermindering van de straf. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het een hogere straf dan de rechtbank had opgelegd, terwijl de rechtbank rekening hield met de termijnoverschrijding.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor de strafoplegging en stelde de straf vast op zes jaren en zes maanden gevangenisstraf. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd de redelijke termijn in de cassatiefase meegewogen bij de strafmaat.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van zeven jaren naar zes jaren en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.