ECLI:NL:HR:2017:2492

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2017
Publicatiedatum
26 september 2017
Zaaknummer
15/04567
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 440 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin een gevangenisstraf van zeven jaren was opgelegd. De verdediging stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het was afgeweken van het standpunt over de overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd aangevoerd dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden door late inzending van stukken.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest voor wat betreft de strafoplegging en tot vermindering van de straf. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het een hogere straf dan de rechtbank had opgelegd, terwijl de rechtbank rekening hield met de termijnoverschrijding.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor de strafoplegging en stelde de straf vast op zes jaren en zes maanden gevangenisstraf. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd de redelijke termijn in de cassatiefase meegewogen bij de strafmaat.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van zeven jaren naar zes jaren en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

26 september 2017
Strafkamer
nr. S 15/04567
CeH/SG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 15 september 2015, nummer 23/001201-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft J. Bravo Mougán, advocaat te Amsterdam, verweerschriften ingediend.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en te dien aanzien tot zodanige op art. 440 Sv Pro berustende beslissing als de Hoge Raad gepast voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het vijfde en het zesde middel

2.1.
Het vijfde middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de overschrijding van de redelijke termijn. Het zesde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7.4, 7.5 en 8.2 zijn de middelen terecht voorgesteld.
2.3.
De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen. Een en ander moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren.

3.Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zes jaren en zes maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 september 2017.