Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
26 september 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam over de toepassing van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bij de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit marktplaatsoplichting.
De betrokkene was veroordeeld tot het betalen van schadevergoedingen aan benadeelde partijen en een betalingsverplichting aan de Staat. Het hof had de in rechte toegekende vorderingen van de benadeelde partijen niet in mindering gebracht op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat niet was gebleken dat deze vorderingen waren voldaan, en paste de nieuwe regeling van artikel 36e lid 9 Sr toe.
De Hoge Raad oordeelt dat de feiten zijn gepleegd vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling en dat op grond van artikel 1.2 Sr de voor de betrokkene meest gunstige regeling moet worden toegepast, namelijk de oude regeling van artikel 36e lid 8 Sr. Volgens deze regeling moeten de onherroepelijk toegekende vorderingen van benadeelde partijen in mindering worden gebracht op het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De Hoge Raad vermindert daarom het bedrag van de betalingsverplichting van €31.206,80 met het totaal van €2.777 aan toegekende vorderingen, tot €28.429,80, en vernietigt het bestreden arrest voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betreft. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd tot €28.429,80.