Uitspraak
1.Geding in cassatie
3 Beslissing
26 september 2017.
Hoge Raad
Klaagster heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende beslag op een geldbedrag van € 105.000,- dat onder haar zoon was gelegd in het kader van een ontnemingszaak tegen die zoon.
De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof dat niet buiten redelijke twijfel staat dat klaagster als derde niet-beslagene niet als eigenaresse van het geldbedrag kan worden aangemerkt, geen onjuiste rechtsopvatting bevat en niet onbegrijpelijk is.
De advocaat-generaal concludeerde dat het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Hoge Raad oordeelde dat klaagster onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden, waarna het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 26 september 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep van klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.