ECLI:NL:HR:2017:251

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 februari 2017
Publicatiedatum
16 februari 2017
Zaaknummer
16/03739
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring cassatieberoep in BPM-naheffingsaanslagen

Belanghebbende, een besloten vennootschap, had beroep ingesteld tegen vijf naheffingsaanslagen BPM opgelegd door de Belastingdienst. Na behandeling in de Rechtbank Den Haag en het Gerechtshof Den Haag, richtte belanghebbende zich tot de Hoge Raad met een cassatieberoep.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de ingebrachte middelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden.

Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal, verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Hiermee blijft de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het Gerechtshof blijft in stand.

Uitspraak

17 februari 2017
Nr. 16/03739
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 17 juni 2016, nrs. BK‑15/01061 tot en met BK-15/01065, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 15/2446, SGR 15/2462, SGR 15/2481, SGR 15/2719 en SGR 15/2972) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: de BPM) en een vijftal aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de BPM.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De Hoge Raad is van oordeel dat de voorgestelde middelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2017.