Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
29 september 2017.
Hoge Raad
Betrokkene verblijft op basis van een machtiging tot voortgezet verblijf in een verpleeginrichting en verzocht via haar advocaat om ontslag uit deze inrichting. Dit verzoek werd door de geneesheer-directeur afgewezen. De officier van justitie verzocht vervolgens de rechtbank om een beslissing te nemen op het ontslagverzoek op grond van artikel 49 lid 3 Wet Pro Bopz.
De rechtbank verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk en oordeelde dat artikel 49 Wet Pro Bopz alleen van toepassing is op patiënten in psychiatrische ziekenhuizen en niet op personen in verpleeginrichtingen. De rechtbank baseerde dit op het onderscheid in de Wet Bopz tussen psychiatrische ziekenhuizen en verpleeginrichtingen, waarbij het verblijf in verpleeginrichtingen gericht is op een veilige woonomgeving en niet op behandeling met uitzicht op ontslag.
In cassatie stelde betrokkene dat de ontslagregeling van artikel 49 Wet Pro Bopz ook van toepassing is op personen met een machtiging tot voortgezet verblijf in een verpleeginrichting. De Hoge Raad overwoog dat de definitie van psychiatrisch ziekenhuis in artikel 1 lid 1 onder Pro h Wet Bopz ook verpleeginrichtingen omvat die door de minister zijn aangewezen. Artikel 17 lid 4 Wet Pro Bopz verwijst bovendien naar artikelen 48 en 49, waardoor artikel 49 ook Pro van toepassing is op personen in verpleeginrichtingen met een machtiging tot voortgezet verblijf.
De Hoge Raad vernietigde de beschikking van de rechtbank en verwees de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.