Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
3 oktober 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van gijzeling, waarbij hij samen met anderen het slachtoffer wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofde en vasthield met het oogmerk een derde te dwingen iets te doen.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat gijzeling alleen strafbaar is indien het oogmerk is een ander dan de gijzelaar te dwingen. In deze zaak was het oogmerk echter gericht op het dwingen van het slachtoffer zelf, waardoor geen sprake is van gijzeling in de zin van artikel 282a Sr.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof wat betreft de kwalificatie en strafoplegging en kwalificeert het bewezenverklaarde als medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving volgens artikel 282 Sr Pro. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe strafoplegging.
Het hof had de verdachte veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf waarvan acht maanden voorwaardelijk, mede gelet op de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en de proceshouding van de verdachte. De Hoge Raad laat de overige onderdelen van het arrest in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad kwalificeert het bewezenverklaarde als medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving en verwijst de zaak terug voor nieuwe strafoplegging.