Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
10 oktober 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of fotografische opnames en digitale gegevensdragers met afbeeldingen van gestolen eindexamenopgaven kunnen worden aangemerkt als door diefstal verkregen goederen in de zin van artikel 416 Sr Pro. De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens medeplegen van opzetheling van deze digitale goederen.
De bewijsvoering toonde aan dat de schriftelijke eindexamenopgaven uit de kluis van de scholengemeenschap Ibn Ghaldoun waren weggenomen. Echter, het maken van de digitale afbeeldingen en het opslaan daarvan op gegevensdragers vond pas daarna plaats. De Hoge Raad oordeelde daarom dat niet kon worden afgeleid dat de digitale kopieën zelf door diefstal waren verkregen.
Het hof had geoordeeld dat de digitale kopieën goederen waren vanwege hun economische waarde in het maatschappelijk verkeer, maar de Hoge Raad vond dit onvoldoende gemotiveerd, mede gelet op de wetsgeschiedenis en het voornemen van de wetgever om een aparte strafbepaling voor gegevens te creëren.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep. De vrijspraak van medeplegen opzetheling van de schriftelijke opgaven blijft onbestreden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.