Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
10 oktober 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een betrokkene tegen een verstekvonnis van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was in Duitsland gedetineerd en verzocht via zijn raadsman om aanhouding van de behandeling van de zaak, zodat hij gebruik kon maken van zijn aanwezigheidsrecht.
Het hof wees dit verzoek af met het oog op de duur van de detentie in Duitsland en het belang van een voortvarende rechtspleging. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verzoek werd afgewezen, met name omdat het hof niets heeft vastgesteld over internationale rechtshulp en de benodigde tijd daarvoor.
De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie dat bij detentie uit anderen hoofde het onderzoek ter terechtzitting in principe geschorst moet worden om de betrokkene alsnog in de gelegenheid te stellen aanwezig te zijn. Gelet op de omstandigheden en de motivering van het hof kan het verzoek niet worden afgewezen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden vonnis en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing. De overige middelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug wegens onvoldoende motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek.