Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
10 oktober 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd bewezenverklaard dat hij op 18 oktober 2013 een motorrijtuig bestuurde terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en hij dit redelijkerwijs had moeten weten.
Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van de politie, een uitdraai uit het CBR-register en het besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs vanwege deelname aan een alcoholslotprogramma. Het hof stelde dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat zijn rijbewijs ongeldig was.
De Hoge Raad oordeelt echter dat uit de bewijsvoering niet zonder meer volgt dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was. De verklaring van verdachte dat hij een rijontzegging had gehad die was geëindigd en dat hij zijn rijbewijs niet had teruggekregen, en het besluit van het CBR zijn onvoldoende, mede omdat niet is vastgesteld dat het besluit aan verdachte is toegezonden en ontvangen.
Daarom is de bewezenverklaring niet voldoende gemotiveerd en wordt het arrest vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.