Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
10 oktober 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een klaagschrift van klager tegen de teruggave van een inbeslaggenomen personenauto aan een derde, de rechtmatige eigenaar, terwijl klager zelf de beslagene was. De rechtbank verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat het beslag was opgeheven en de auto was teruggegeven aan een ander dan klager.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 116, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor werd miskend dat het klaagschrift het karakter heeft van een beklag tegen het voornemen van de Officier van Justitie om het voorwerp aan een ander dan de beslagene terug te geven, alsof die teruggave nog niet had plaatsgevonden.
De Hoge Raad volgt eerdere jurisprudentie en vernietigt de bestreden beschikking. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam om het klaagschrift op de juiste wijze te behandelen en af te doen. Dit betekent dat de ontvankelijkheid van het klaagschrift opnieuw moet worden beoordeeld met inachtneming van art. 116 lid 3 Sv Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift en wijst de zaak terug voor herbehandeling.