ECLI:NL:HR:2017:2619

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 oktober 2017
Publicatiedatum
12 oktober 2017
Zaaknummer
17/02494
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om vervangende toestemming voor verhuizing minderjarige afgewezen

In deze zaak heeft de moeder cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam waarin het hof een verzoek om vervangende toestemming voor de verhuizing van een minderjarige had behandeld. De moeder wenste toestemming voor verhuizing, terwijl de vader dit betwistte. Het hof had de belangen van de minderjarige en de ouders afgewogen en de belangenafweging met inachtneming van het fait accompli-principe gemaakt.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de moeder verworpen. De klachten die de moeder in cassatie aanvoerde, konden niet leiden tot cassatie en behoefden geen nadere motivering omdat zij niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere beslissingen van de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam en bevestigt de toepassing van artikel 1:253a BW en artikel 81 lid 1 RO Pro in deze context. Het arrest benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij verzoeken om vervangende toestemming voor verhuizing van een minderjarige.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de beschikking van het gerechtshof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

13 oktober 2017
Eerste Kamer
17/02494
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum,
t e g e n
[de vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de vader.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/15/241274/FA RK 16-1938 van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2016;
b. de beschikking in de zaak 200.197.706/01 van het gerechtshof Amsterdam van 21 maart 2017.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de moeder heeft bij brief van 15 september 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
13 oktober 2017.