Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
17 oktober 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden wegens mensenhandel. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij hij werd bijgestaan door zijn advocaat.
De Advocaat-Generaal adviseerde tot vermindering van de straf en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de eerste en tweede middelen niet tot cassatie konden leiden, maar dat het derde middel gegrond was omdat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase was overschreden door het te laat aanleveren van stukken door het hof.
Als gevolg hiervan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van vijftien naar veertien maanden. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 17 oktober 2017.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van vijftien naar veertien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.