ECLI:NL:HR:2017:2653

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 oktober 2017
Publicatiedatum
18 oktober 2017
Zaaknummer
15/04856
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 Sv (oud)Art. 416, tweede lid, SvArt. 434, eerste lid, Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-naleving dagvaardingsvoorschrift in hoger beroep

In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het voorschrift van artikel 51 (oud) Sv, dat bepaalt dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman moet worden gezonden, is nageleefd.

De raadsman had een stelbrief gestuurd waarin hij zich als raadsman van de verdachte aanmeldde en verzocht om toezending van processtukken. Hoewel uit het verzendrapport blijkt dat deze brief per fax naar het hof is verzonden, is deze brief niet bij de stukken gevoegd die aan de Hoge Raad zijn toegezonden. Dit leidt tot het ernstige vermoeden dat de brief wel bij het hof is ontvangen maar aldaar is zoekgeraakt.

Verder blijkt uit de stukken dat geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman is gezonden. Noch de verdachte noch zijn raadsman zijn verschenen bij de terechtzitting in hoger beroep, waarna het hof de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat het niet naleven van het voorschrift uit art. 51 (oud) Sv een geldige behandeling van de zaak in hoger beroep in de weg staat.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing op het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet-naleving van art. 51 (oud) Sv en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

10 oktober 2017
Strafkamer
nr. S 15/04856
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 maart 2014, nummer 22/003170-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt dat in hoger beroep het voorschrift van art. 51 (oud) Sv niet is nageleefd.
2.2.
Ter staving van deze klacht zijn aan de cassatieschriftuur de volgende stukken gehecht:
(i) een kopie van een brief van 19 juli 2013 van mr. J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, aan het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Deze brief houdt onder meer in:
"Geachte heer, mevrouw,
Hiermee stel ik mij als raadsman van [verdachte] (geboren [geboortedatum]-1975) in ondergenoemde zaak.
Ik verzoek u mij afschrift van alle processtukken te doen toekomen.
(...)
Zaaks- en cliëntgegevens
Cliënt
Naam : [verdachte]
Geboren : [geboortedatum]-1975 te [geboorteplaats]
Vonnis waarvan beroep
Parketnummer : 09/091956-13
Instantie : Rechtbank 's-Gravenhage
Uitspraakdatum : 08 juli 2013"
(ii) een verzendrapport waaruit kan worden afgeleid dat deze brief op 19 juli 2013 om 15:25 uur is verzonden naar het faxnummer van de administratie van het Hof.
2.3.
De hiervoor genoemde correspondentie bevindt zich niet bij de ingevolge het bepaalde in art. 434, eerste lid, Sv door de Griffier van het Hof aan de Griffier van de Hoge Raad gezonden stukken van het geding.
2.4.
De inhoud van het hiervoor onder 2.2 sub 2 bedoelde stuk biedt echter voldoende grond voor het ernstig vermoeden dat de stelbrief wel ter administratie van het Hof is ontvangen doch aldaar vervolgens in het ongerede is geraakt.
2.5.
Bij de stukken bevindt zich het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep. Noch uit mededelingen gesteld op dat dubbel noch uit enig ander aan de Hoge Raad gezonden stuk kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan mr. Lintz is gezonden. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch de verdachte noch diens raadsman verschenen. Vervolgens heeft het Hof de verdachte met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep.
2.6.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang beschouwd, vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 51 (oud) Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.
2.7.
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffierS.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 oktober 2017.