Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 maart 2017, waarin het hoger beroep tegen uitspraken van de Rechtbank Gelderland werd behandeld. De zaak betrof de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2010 en 2011, alsmede de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en een conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de klachten oordeelde de Hoge Raad dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende toe te kennen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2017. Het gevolg is dat het beroep in cassatie ongegrond wordt verklaard en de uitspraak van het gerechtshof in stand blijft.