Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3 Beslissing
31 oktober 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 december 2015 in een strafzaak over medeplegen van poging moord en opzetheling. De verdediging voerde verweren aan tegen de bruikbaarheid van DNA-onderzoek als bewijs.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Op 31 oktober 2017 heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.