ECLI:NL:HR:2017:282

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 februari 2017
Publicatiedatum
17 februari 2017
Zaaknummer
16/00341
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake onrechtmatige daad en zorgvuldigheid onderzoek schilderij Van Gogh Museum

In deze zaak stond centraal de vraag of Stichting Van Gogh Museum onrechtmatig heeft gehandeld bij het onderzoek van een schilderij dat eiser aanvoerde. Eiser had eerder in feitelijke instanties een procedure gevoerd, waarbij het gerechtshof Amsterdam de zaak heeft behandeld en arresten heeft gewezen. Tegen deze arresten stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten voor het geding in feitelijke instanties en behandelt in cassatie uitsluitend de aangevoerde klachten. De conclusie van de Advocaat-Generaal was gericht op verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten onvoldoende zijn om tot cassatie te leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee blijft het oordeel van het gerechtshof Amsterdam in stand, waarmee het beroep van eiser wordt afgewezen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken door de vice-president.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

17 februari 2017
Eerste Kamer
16/00341
LZ/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats], Duitsland,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
STICHTING VAN GOGH MUSEUM,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. D. Rijpma en mr. C.J.A. Seinen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en VGM.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/13/539635/HA ZA 13-428 van de rechtbank Amsterdam van 24 juli 2013 en 8 januari 2014;
b. de arresten in de zaak 200.148.918/01 van het gerechtshof Amsterdam van 16 september 2014 en 22 september 2015.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
VGM heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van VGM begroot op € 848,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op
17 februari 2017.