Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van de Statevan 21 september 2017, nr. 201607191/3/A2.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 september 2017. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het beroep in cassatie ontvankelijk is. Volgens artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie kan de Hoge Raad alleen kennisnemen van cassatieberoepen tegen uitspraken van de administratieve rechter indien dit bij wet is bepaald.
De Hoge Raad constateert dat er geen wettelijke bepaling bestaat die cassatie openstelt tegen uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de onderhavige zaak. Daarom wordt het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Tevens acht de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten.
De uitspraak is gewezen door de raadsheren J. Wortel (voorzitter), Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbrekende wettelijke basis.