ECLI:NL:HR:2017:2848

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 november 2017
Publicatiedatum
9 november 2017
Zaaknummer
16/04608
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 lid 1 BWArt. 1:88 lid 5 BWArt. 1:89 lid 1 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging borgtochtovereenkomst wegens ontbreken toestemming echtgenote

In deze zaak stond de vraag centraal of een borgtochtovereenkomst vernietigbaar is wegens het ontbreken van toestemming van de echtgenote, zoals bepaald in artikel 1:88 lid 1 onder Pro c, in samenhang met artikel 1:89 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek. De eisers waren borg gesteld voor een overeenkomst zonder dat de echtgenote haar toestemming had gegeven.

De zaak werd in eerste aanleg en hoger beroep behandeld, waarbij de rechtbank en het gerechtshof de vernietiging van de overeenkomst bevestigden. Het hof oordeelde dat de uitzondering van artikel 1:88 lid 5 BW Pro niet van toepassing was.

Eisers stelden cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep zonder nadere motivering, omdat de klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad veroordeelde eisers tevens in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee werd het arrest van het gerechtshof bekrachtigd en bleef de vernietiging van de borgtochtovereenkomst in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vernietiging van de borgtochtovereenkomst wegens ontbreken van toestemming van de echtgenote blijft in stand.

Uitspraak

10 november 2017
Eerste Kamer
16/04608
RM/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. J. den Hoed,
t e g e n
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. B. Winters en mr. J.W.M.K. Meijer.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en Rabobank.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/15/205118 / HA ZA 13-353 van de rechtbank Noord-Holland van 11 september 2013, 5 februari 2014 en 17 september 2014;
b. het arrest in de zaak 200.162.362/01 van het gerechtshof Amsterdam van 31 mei 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Rabobank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] c.s. mede door mr. I.C. Blomsma.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 29 september 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rabobank begroot op € 6.590,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
10 november 2017.