Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
14 november 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte verworpen tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Militaire Kamer, waarin hij werd veroordeeld voor het maken van een gewoonte van het bezit van kinderpornografische afbeeldingen op grond van artikel 240b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De verdediging voerde meerdere klachten aan, onder meer over het bezit, het maken van een gewoonte en vermeende innerlijke tegenstrijdigheden in het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten falen en dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden.
Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, zag de Hoge Raad geen aanleiding tot nadere motivering omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en van Strien, en uitgesproken op 14 november 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen, het arrest van het hof blijft gehandhaafd.