ECLI:NL:HR:2017:2855

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2017
Publicatiedatum
14 november 2017
Zaaknummer
16/03872
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt opzettelijke mishandeling door harde duw met letsel

Op 9 augustus 2013 duwde verdachte met kracht het bovenlichaam van het slachtoffer, waardoor deze achterover viel en letsel opliep aan zijn achterhoofd. Het Gerechtshof Den Haag verklaarde dit opzettelijk mishandelen bewezen en veroordeelde verdachte.

Verdachte stelde in cassatie dat de bewezenverklaring omtrent het opzet onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring, mede gelet op de verklaringen van het slachtoffer en getuigen, en de vastgestelde letsels, niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd was.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de bewezenverklaring en het oordeel van het hof. De zaak wordt hiermee definitief afgesloten met handhaving van de veroordeling wegens opzettelijke mishandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor opzettelijke mishandeling door een harde duw met letsel.

Uitspraak

14 november 2017
Strafkamer
nr. S 16/03872
SA/JHO
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 juni 2016, nummer 22/000289-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van het opzet onvoldoende met redenen is omkleed.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 9 augustus 2013 te Capelle aan den IJssel opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [betrokkene 1]), met kracht tegen het (boven)lichaam heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 augustus 2013 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17F0-2013245752-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 3 en 4):
als de op 9 augustus 2013 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
Op 9 augustus 2013 besloten [betrokkene 2] en ik om naar het adres van [verdachte] te gaan om daar de brief in de brievenbus te stoppen.
Op 9 augustus 2013, omstreeks 15:30 uur bevonden [betrokkene 2] en ik ons op de [a-straat 1] te Capelle aan den IJssel. Toen ik naar het adres van [verdachte] liep, zag ik dat [verdachte] buiten stond naast een bestelauto.
Ik zag dat [verdachte] voor mij ging staan. Ik zag dat [verdachte] heel dicht bij mij ging staan. Ik zag en voelde dat [verdachte] opzettelijk en met kracht met zijn lichaam, namelijk met zijn borstkas tegen mijn lichaam, namelijk mijn borstkas, duwde. Ik verloor hierdoor mijn evenwicht en viel achterwaarts op mijn rug en achterhoofd. Ik maakte een klap met mijn achterhoofd op de straat. Ik voel nu spierpijn rondom mijn nek. Ik voel een brandende pijn op mijn achterhoofd. Ik heb nu ook een schaafwond op mijn achterhoofd.
Aan niemand werd het recht of toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 augustus 2013 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17F0-2013245752-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 9 tot en met 12):
als relaas van de verbalisanten:
Op 9 augustus 2013 omstreeks 15:15 uur kregen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het verzoek om te gaan naar de [a-straat 1] te Capelle aan den IJssel. Aldaar zou een ruzie hebben plaatsgevonden en zou een medewerker van de melder zijn neergeslagen.
Ter plaatse werden wij aangesproken door een man die verklaarde volledig te zijn genaamd: [betrokkene 2].
Nadat wij aan [betrokkene 2] hadden gevraagd wat er was gebeurd verklaarde hij als volgt:
Mijn vriend [betrokkene 1] is uit de auto gestapt. Ik zag dat [verdachte] een harde duw gaf en dat [betrokkene 1] hierdoor op de grond viel. Ik heb vervolgens de politie gebeld.
Voorts spraken wij met een man die opgaf volledig te zijn genaamd:
[betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1948.
Nadat wij aan [betrokkene 1] hadden gevraagd wat er precies was gebeurd verklaarde hij als volgt:
Ik ben vandaag met mijn vriend [betrokkene 2] meegegaan naar dit bedrijf. Ik zag en voelde dat de man mij een duw gaf. Ik viel hierdoor achterover op straat, met mijn hoofd op de grond. Ik heb nu een zere, bebloede plek op mijn achterhoofd.
Wij, verbalisanten, zagen dat [betrokkene 1] een bebloede wond op zijn achterhoofd had."
2.3.
Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte [betrokkene 1] "opzettelijk mishandelend (...) met kracht tegen het (boven)lichaam heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden". Deze bewezenverklaring is, ook voor zover deze betrekking heeft op de omstandigheid dat de verdachte opzet - al dan niet in voorwaardelijke vorm - op het toebrengen van pijn en letsel heeft gehad, niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd, in het bijzonder in aanmerking genomen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte met zijn borstkas met kracht [betrokkene 1] een harde duw heeft gegeven tegen diens borstkas waardoor deze achterover op straat viel.
2.4.
Het middel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers e J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 november 2017.