Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vierde middel
3.Beoordeling van het vijfde middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Slotsom
6.Beslissing
14 november 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin een gevangenisstraf van 32 maanden werd opgelegd, waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte een proeftijd van drie jaar heeft vastgesteld, aangezien op grond van de toen geldende wetsartikelen de proeftijd ten hoogste twee jaar kon bedragen.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden door late indiening van stukken door het hof. Dit leidt tot vermindering van de straf. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en de proeftijd, vermindert de gevangenisstraf naar 31 maanden en 2 weken waarvan 24 maanden voorwaardelijk, en stelt de proeftijd vast op twee jaar.
Voor het overige worden de middelen verworpen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en is uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De proeftijd wordt gecorrigeerd naar twee jaar en de gevangenisstraf verminderd naar 31 maanden en 2 weken, waarvan 24 maanden voorwaardelijk.