Belanghebbende handelt in gebruikte personenauto’s en heeft in 2014 de tenaamstelling van een auto beëindigd vanwege overbrenging naar Duitsland. De auto was in 2009 vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Nederland overgebracht, waarbij de toenmalige eigenaar een verhuisboedelvrijstelling BPM ontving. Hierdoor is bij registratie in Nederland geen BPM betaald.
Belanghebbende verzocht om teruggaaf van BPM na beëindiging van de tenaamstelling, stellende dat de vrijstelling ten onrechte was verleend omdat de auto als nieuw en ongebruikt moest worden aangemerkt. De Inspecteur wees dit verzoek af omdat er geen BPM was betaald bij registratie.
Het gerechtshof bevestigde dit oordeel en stelde dat het niet vaststaat dat de vrijstelling onterecht was verleend. De Hoge Raad oordeelt dat artikel 14a van de Wet BPM geen aanspraak op teruggaaf biedt indien geen BPM is voldaan bij registratie. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
De Hoge Raad veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2017.