In deze zaak vorderden X1 B.V. en X2 B.V. vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in procedures omtrent vennootschapsbelastingaanslagen over diverse jaren. De procedures betroffen bezwaar- en beroepszaken tegen aanslagen voor de jaren 1996-1999 (X1) en 2001-2002 (X2).
Het hof had eerder een vergoeding toegekend, maar matigde deze deels op grond van gezamenlijke behandeling van zaken van verschillende belanghebbenden, wat de Hoge Raad onjuist achtte. De Hoge Raad bevestigde dat matiging slechts mogelijk is indien zaken in hoofdzaak hetzelfde onderwerp betreffen en dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op vergoeding heeft.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn in alle fasen was overschreden en dat de vergoeding volgens het overzichtsarrest berekend moest worden, met onderscheid tussen de Inspecteur en de Staat voor de toerekening van overschrijding. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en wees de vergoeding toe conform de juiste berekening, waarbij ook de proceskosten deels werden vergoed.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van de redelijke termijn en de vergoeding van immateriële schade in belastingprocedures, met nadruk op correcte toerekening en matiging alleen bij samenhangende zaken van dezelfde belanghebbende.