Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Gelderlandvan 7 juli 2017, nr. AWB 17/47, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 2 maart 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Het betrof een bestuursrechtelijke kwestie binnen het belastingrecht. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.
De Hoge Raad stelde vast dat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of dat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Op grond hiervan en met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, en na advies van de Procureur-Generaal, verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Het arrest werd op 17 november 2017 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Wortel (voorzitter), Groeneveld en Beukers-van Dooren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Treuren. Hiermee kwam een einde aan de procedure in cassatie.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.