Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te Den Haag,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
17 november 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de Deken bevoegd is om een disciplinair onderzoek in te stellen naar onbehoorlijke uitlatingen van een advocaat, en of artikel 46 van Pro de Advocatenwet hiervoor een geldige wettelijke grondslag biedt, ook in het licht van de vrijheid van meningsuiting zoals beschermd door artikel 7 van Pro de Grondwet en artikel 10 EVRM Pro.
De zaak betrof een advocaat die zich verzette tegen het disciplinair onderzoek ingesteld door de Deken, waarbij het ging om uitlatingen gedaan tijdens een kantoorbezoek aan het kantoor aan huis van de advocaat. De voorzieningenrechter en het gerechtshof Den Haag hadden eerder de bevoegdheid van de Deken bevestigd.
De Hoge Raad overwoog dat de klachten van de advocaat niet tot cassatie konden leiden en dat de bevoegdheid van de Deken om op grond van artikel 46 Advocatenwet Pro op te treden niet in strijd is met de vrijheid van meningsuiting. Het beroep werd verworpen en de advocaat werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de advocaat wordt verworpen en de bevoegdheid van de Deken tot disciplinair onderzoek bevestigd.