Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
21 november 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een bestuurder van een snorfiets die weigerde mee te werken aan een ademanalyse, in strijd met artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Na behandeling door het Gerechtshof Amsterdam werd het beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 16 februari 2016.
De verdachte stelde verschillende middelen van cassatie voor, waaronder bezwaren tegen de bewijsmotivering, de afwijzing van een getuigenverzoek, het ondervragingsrecht en de strafmotivering. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter, met raadsheren Buruma en Van den Brink, en het beroep werd verworpen. Hiermee bleef het oordeel van het hof in stand dat de weigering tot medewerking aan de ademanalyse strafbaar was.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling wegens weigering mee te werken aan een ademanalyse.