Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2017:2983

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 november 2017
Publicatiedatum
23 november 2017
Zaaknummer
16/00961
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet OB 1968Art. 15 lid 1 Wet OB 1968Art. 9 lid 1 tweede alinea BTW-Richtlijn 2006Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op teruggaaf omzetbelasting bij incidentele aankoop baren zilver door ondernemer

Belanghebbende, een natuurlijke persoon die als ondernemer juridische werkzaamheden verricht, kocht in december 2011 baren zilver met het voornemen deze later te verkopen. Zij vroeg de teruggaaf van de omzetbelasting over deze aankoop aan, maar de Inspecteur wees dit af. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat belanghebbende geen recht had op teruggaaf omdat de aankoop niet als een duurzame economische activiteit kon worden aangemerkt en het enkele voornemen tot verkoop onvoldoende is voor ondernemerschap.

Belanghebbende stelde in cassatie dat het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Kostov (C-62/12) impliceert dat ook incidentele handelingen onder bezwarende titel als economische activiteit gelden, waardoor zij recht zou hebben op aftrek. De Hoge Raad verwierp dit betoog en stelde dat incidentele aankopen zonder duurzaam exploitatie- of opbrengstdoel niet kwalificeren als economische activiteit volgens de BTW-richtlijn.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat de aankoop van zilver niet als een btw-belaste economische activiteit kan worden aangemerkt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; geen recht op teruggaaf omzetbelasting over incidentele aankoop zilver.

Uitspraak

24 november 2017
nr. 16/00961
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 5 januari 2016, nr. 14/00002, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 13/2429) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking inzake teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 december 2011 tot en met 31 december 2011. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende verricht zelfstandig tegen vergoeding juridische werkzaamheden jegens derden (hierna: de juridische onderneming) en is uit dien hoofde ondernemer in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). In december 2011 heeft zij baren zilver (hierna: het zilver) gekocht om die te zijner tijd onder gunstige omstandigheden te verkopen.
Belanghebbende heeft de ter zake van de levering van het zilver aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting teruggevraagd. De Inspecteur heeft dit verzoek om teruggaaf bij beschikking afgewezen.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op teruggaaf van de hiervoor in 2.1 bedoelde omzetbelasting. Aan dit oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij met de aankoop van het zilver heeft beoogd duurzaam economische activiteiten te verrichten en dat het enkele voornemen het zilver te zijner tijd te verkopen niet leidt tot ondernemerschap. Belanghebbende treedt naar het oordeel van het Hof voorts niet op als handelaar in zilver of andere goederen, terwijl het bezit van het zilver haar als zodanig geen inkomsten oplevert. De omstandigheid dat belanghebbende uit hoofde van een andere economische activiteit al ondernemer is in de zin van de Wet, doet volgens het Hof aan voorgaande oordelen niet af, aangezien de aankoop van het zilver niet als het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van de juridische onderneming kan worden aangemerkt.
2.3.1.
De middelen zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen en betogen onder meer dat het Hof heeft miskend dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 juni 2013, Galin Kostov, C‑62/12, ECLI:EU:C:2013:391 (hierna: het arrest Kostov), volgt dat tot de economische activiteit van een belastingplichtige behoort elke incidenteel verrichte handeling onder bezwarende titel, en dat dit ook geldt voor belanghebbende wanneer zij op enig moment het zilver verkoopt. Hieruit volgt, aldus de middelen, dat belanghebbende op de voet van artikel 15 van Pro de Wet recht heeft op aftrek van de haar ter zake van de levering van het zilver in rekening gebrachte omzetbelasting.
2.3.2.
Anders dan de middelen betogen, kan uit het arrest Kostov niet worden afgeleid dat een btw-plichtige natuurlijke persoon zoals belanghebbende zonder meer elke incidentele handeling onder bezwarende titel verricht in de hoedanigheid van ondernemer.
In het arrest Kostov verklaarde het Hof van Justitie voor recht dat een natuurlijke persoon die voor zijn activiteiten als zelfstandig gerechtsdeurwaarder reeds is onderworpen aan de btw, ook voor elke andere economische activiteit, die hij incidenteel verricht, als ”belastingplichtige” moet worden aangemerkt, mits deze activiteit een activiteit is in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van BTW-richtlijn 2006. In deze tweede alinea worden als economische activiteit aangewezen alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen alsmede de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.
Het is buiten redelijke twijfel dat enkel het incidenteel aankopen van baren zilver om deze op enig moment te verkopen niet een in artikel 9, lid 1, tweede alinea, van BTW-richtlijn 2006 bedoelde werkzaamheid of exploitatie van een lichamelijke zaak vormt.
2.3.3.
Uit hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, volgt dat juist is het oordeel van het Hof dat de voorgenomen verkoop van het zilver door belanghebbende niet een in het arrest Kostov bedoelde incidentele handeling van een btw-plichtige natuurlijke persoon is die als economische activiteit moet worden aangemerkt. Het hiervoor in 2.3.1 weergegeven betoog faalt derhalve.
2.4.
De middelen voor het overige kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2017.