ECLI:NL:HR:2017:3038

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 december 2017
Publicatiedatum
29 november 2017
Zaaknummer
17/01245
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.2, lid 1, aanhef en letter a Wet IB 2001Art. 27, lid 1, Wet LB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verrekening van ingehouden loonbelasting met inkomstenbelasting zonder belang van kwade trouw

Belanghebbende was enig aandeelhouder en directeur van een BV die in financiële problemen kwam en loonheffing wel heeft ingehouden maar niet afgedragen. De BV deed wel aangifte loonheffing maar droeg de bedragen niet af. Na faillissement van de BV stelde belanghebbende bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting voor 2011 en 2012 waarop geen loonheffing was verrekend.

Het Hof oordeelde dat loonheffing wel was ingehouden omdat de BV de intentie had om de bedragen alsnog af te dragen zodra de liquiditeitspositie dat toeliet. Daarom moest de ingehouden loonheffing worden verrekend met de aanslagen, ongeacht de vraag of belanghebbende te kwader trouw was.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond. De Hoge Raad benadrukt dat de verrekening van loonheffing met inkomstenbelasting plaatsvindt zodra loonbelasting is ingehouden, zonder dat de goede of kwade trouw van de belastingplichtige daarbij van belang is.

De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding. Het arrest is gewezen op 1 december 2017 door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat ingehouden loonbelasting verrekend wordt zonder belang van kwade trouw.

Uitspraak

1 december 2017
nr. 17/01245
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 31 januari 2017, nrs. 16/00360 en 16/00361, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 15/2240 en LEE 15/2241) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2011 en 2012 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 26 september 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:1133).

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende was van 25 augustus 2009 tot 8 september 2010 enig aandeelhouder van [A] B.V. (hierna: de BV).
2.1.2.
Tot 30 april 2012 was belanghebbende directeur van de BV en vanaf 1 mei 2012 was hij als medewerker voor de BV werkzaam. Hij heeft tot 1 juni 2012 salaris van de BV ontvangen.
2.1.3. Toen de BV in 2010 in liquiditeitsproblemen raakte, heeft zij nog wel bedragen ten titel van loonheffing van het brutoloon van werknemers afgezonderd, maar besloten die bedragen voorlopig niet af te dragen.
2.1.4. De BV heeft tot en met oktober 2012 maandelijks aangifte loonheffing gedaan, maar heeft daarbij de in 2.1.3 bedoelde afgezonderde bedragen niet afgedragen.
2.1.5.
Op 4 december 2012 is de BV in staat van faillissement verklaard.
2.1.6.
Met de aan belanghebbende opgelegde aanslagen IB/PVV voor de jaren 2011 en 2012 is geen loonheffing als voorheffing verrekend.
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of de zojuist bedoelde verrekening terecht achterwege is gebleven met betrekking tot de in de jaren 2011 en 2012 afgezonderde, maar niet afgedragen loonheffing.
2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat partijen terecht de conclusie hebben getrokken dat de loonheffing door de BV is ingehouden, omdat de BV de bedoeling had om tot afdracht over te gaan van de daartoe afgezonderde bedragen zodra haar liquiditeitspositie dat zou toelaten. Aangezien loonheffing is ingehouden, wordt deze volgens het Hof verrekend met de aan belanghebbende opgelegde aanslagen IB/PVV en wordt aan de vraag of belanghebbende te kwader trouw was, niet toegekomen.
2.3.1.
Tegen het in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof richt zich het beroepschrift in cassatie met één middel.
2.3.2.
Het middel faalt op de gronden vermeld in de onderdelen 6.10 tot en met 6.13 van de conclusie van de Advocaat‑Generaal.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1485 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2017.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 501.