ECLI:NL:HR:2017:304

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 februari 2017
Publicatiedatum
23 februari 2017
Zaaknummer
16/06133
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken handtekening advocaat

Verzoekster heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het cassatieverzoekschrift voldeed niet aan de vereisten van artikel 426a lid 1 Rv omdat het niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Hoewel de wet een hersteltermijn van twee weken biedt om dit te herstellen door het verzoekschrift opnieuw in te dienen met de juiste ondertekening, heeft verzoekster hiervan geen gebruik gemaakt.

De Hoge Raad heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het vonnis van de kantonrechter te Almelo en het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vormden de feitelijke grondslag van het geding, maar de Hoge Raad heeft zich beperkt tot de ontvankelijkheidsvraag. De beschikking is uitgesproken door raadsheer G. de Groot namens de raadsheren die het vonnis hebben gewezen.

Deze beslissing benadrukt het belang van de juiste procedurele vormvereisten bij cassatie en de gevolgen van het niet naleven daarvan, namelijk niet-ontvankelijkheid van het beroep.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens ontbreken van de vereiste handtekening en niet benutten van de hersteltermijn.

Uitspraak

24 februari 2017
Eerste Kamer
16/06133
EV/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Verzoekster tot cassatie zal hierna worden aangeduid als [verzoekster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 409281 CV EXPL 2663-12 van de kantonrechter te Almelo van 22 oktober 2013;
b. het arrest in de zaak 200.145.110 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 september 2016.
Het arrest van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt ertoe dat [verzoekster] niet in haar cassatieberoep kan worden ontvangen.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Het bij brief van 29 november 2016 ingekomen verzoekschrift voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, omdat het niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim kan worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Dit brengt mee dat [verzoekster] in haar beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
24 februari 2017.