Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
1 december 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft betrokkene cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2017, waarin een voorwaardelijke machtiging op grond van de BOPZ was verleend. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend, en de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft het middel van betrokkene beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering behoefde dit geen nadere motivering, omdat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten.
Daarop heeft de Hoge Raad het beroep verworpen. De beschikking is gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Kroeze en Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Tanja-van den Broek op 1 december 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank wordt bevestigd.