Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
5 december 2017.
Hoge Raad
De aanvrager heeft bij de Hoge Raad een verzoek tot herziening ingediend van een vonnis van de Rechtbank Den Haag waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.
De aanvraag tot herziening betrof het argument dat twee medeverdachten in hoger beroep waren vrijgesproken, hetgeen volgens de aanvrager aanleiding zou moeten zijn voor herziening op grond van onverenigbare bewezenverklaringen tussen onherroepelijke uitspraken.
De Hoge Raad heeft deze aanvraag beoordeeld aan de hand van artikel 457 lid 1 aanhef Pro en onder a van het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat herziening slechts mogelijk is indien bij verschillende onherroepelijke of verstek gewezen uitspraken bewezenverklaringen zijn uitgesproken die niet met elkaar te verenigen zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat in deze zaak niet is voldaan aan deze voorwaarde, omdat er geen sprake is van onverenigbare bewezenverklaringen tussen de uitspraken. Daarom is de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van onverenigbare bewezenverklaringen.