Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
12 december 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of strafvervolging wegens taxivervoer zonder vergunning kan worden uitgesloten op grond van het ne bis in idem-beginsel, omdat de verdachte reeds een last onder dwangsom had verbeurd voor dezelfde gedraging. Het hof had het OM niet-ontvankelijk verklaard omdat het vervolgen van de verdachte naast het verbeuren van de dwangsom volgens het hof een dubbele vervolging vormde en daarmee in strijd was met het ne bis in idem-beginsel.
De Hoge Raad oordeelde echter dat artikel 68 Sr Pro niet van toepassing is omdat er geen sprake is van meerdere onherroepelijke beslissingen van de strafrechter. Bovendien is de situatie niet vergelijkbaar met de uitzonderlijke casus waarin twee procedures over identieke gedragingen met sterk gelijkende gevolgen hun oorsprong vinden in hetzelfde feit, zoals in de alcoholslotzaak van 2015.
De Hoge Raad stelde dat het verbeuren van een dwangsom en strafvervolging weliswaar eenzelfde feit betreffen, maar dat dit niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM. De strafrechter kan het verbeuren van de dwangsom wel als relevante omstandigheid meenemen bij de strafoplegging. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van het ne bis in idem-beginsel in situaties waarin bestuursrechtelijke dwangsommen en strafrechtelijke vervolging elkaar raken, en benadrukt dat een dwangsom niet gelijkstaat aan een strafrechtelijke sanctie die vervolging uitsluit.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting, waarbij vervolging naast verbeurde dwangsom is toegestaan.