Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
19 december 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van kraken en het wederrechtelijk binnentreden van een woning. De verdachte voerde onder meer een bewijsklacht aan dat het binnendringen niet wederrechtelijk zou zijn volgens artikel 138a lid 1 Sr, en stelde dat bewijs moest worden uitgesloten omdat de politie geen machtiging had getoond bij het binnentreden.
De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden. Daarbij werd overwogen dat het niet noodzakelijk was om de rechtsvragen nader te motiveren, omdat deze niet in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling waren. Tevens werd stilgestaan bij de rechten die een kraker aan de Awbi kan ontlenen, in samenhang met een andere zaak (16/03430).
Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen en bleef het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 13 juni 2016 in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen kraken en wederrechtelijk binnentreden blijft in stand.