ECLI:NL:HR:2017:3150

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 2017
Publicatiedatum
15 december 2017
Zaaknummer
16/03068
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArtikel 20 Onteigeningswet
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in onteigeningszaak Rijksweg A9 en knooppunt Badhoevedorp

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van de onteigende tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 april 2016 betreffende schadeloosstelling na onteigening ten behoeve van de omlegging van Rijksweg A9 en reconstructie van het knooppunt Badhoevedorp.

De onteigende, vertegenwoordigd door mr. J.F. de Groot, en de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door mr. M.W. Scheltema, hebben beide cassatieberoep ingesteld, waarbij de Staat een voorwaardelijk incidenteel beroep indiende. De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging en verwijzing in het principale beroep en verwerping van het incidentele beroep.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Het principale beroep wordt verworpen en het incidentele beroep komt niet aan de orde. De onteigde wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Deze uitspraak bevestigt daarmee de eerdere vonnissen van de rechtbank Noord-Holland en sluit aan bij de samenhangende zaken over onteigening voor dit infrastructuurproject.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de onteigende wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

15 december 2017
Eerste Kamer
16/03068
LZ/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. Mr. Henri Jacobus Maria VAN SCHIE, in zijn hoedanigheid van derde ex artikel 20 Onteigeningswet Pro voor wijlen [B] ,
kantoorhoudende te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer,
2. N.V. LANDINVEST,
gevestigd te Haarlemmermeer,
EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J.F. de Groot,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de onteigende (in mannelijk enkelvoud, gezamenlijk) en de Staat.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/15/206169 / HA ZA 13-434 van de rechtbankNoord-Holland van 9 oktober 2013, 18 december 2013, 16 september 2015 en 6 april 2016.

2.Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank van 6 april 2016 heeft de onteigende beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping. De onteigende vordert wettelijke rente over de toe te wijzen proceskosten.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. S.J.M. Bouwman.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en verwijzing in het principale cassatieberoep en tot verwerping van het incidentele cassatieberoep.
De advocaat van de onteigende en de advocaat van de Staat hebben ieder bij brief van 15 september 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel in het principaal beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen
tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3107).
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt de onteigende in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 856,34 aan verschotten en € 1.100,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-presidentC.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
15 december 2017.