Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
28 februari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 november 2015. De verdachte werd verdacht van feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon gepleegde meervoudige verduistering, zoals bedoeld in artikel 321 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, waarop de raadsheren schriftelijk hebben gereageerd. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen die tot cassatie zijn voorgesteld niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is geen nadere motivering vereist omdat de middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling nopen.
Het arrest van de Hoge Raad, gewezen op 28 februari 2017, bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof. De Hoge Raad wijst het beroep van verdachte af en bekrachtigt het eerdere vonnis. De uitspraak werd gedaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bekrachtigd.