Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
19 december 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door de Politierechter veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf wegens diefstal. Het Hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat de bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep volgens het Hof niet voldeed aan het vereiste van een adres voor toezending van de appeldagvaarding.
De bijzondere volmacht, een faxbericht van de advocaat, vermeldde echter het kantooradres van de advocaat als adres voor toezending. De Hoge Raad overweegt dat dit kantooradres wel degelijk als adres in de zin van art. 450 lid 3 Sv Pro kan worden aangemerkt. Het oordeel van het Hof dat de volmacht geen adres bevat en dat de verdachte daarom niet-ontvankelijk is, is niet begrijpelijk.
De Hoge Raad maakt onderscheid tussen het adresvereiste in art. 450 lid 3 Sv Pro en dat in art. 588a lid 1 onder c Sv. Het eerste betreft het adres voor toezending van de oproeping direct na het instellen van het hoger beroep, het tweede het adres voor latere betekening van de dagvaarding. Het kantooradres van de advocaat kan voldoen aan het eerste vereiste.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het Hof voor hernieuwde berechting. De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, maar de Hoge Raad volgt dit niet.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 19 december 2017.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting vanwege onterecht geconstateerde niet-ontvankelijkheid.