Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
19 december 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof en de politierechter veroordeeld voor het voorhanden hebben van een stroomstootwapen, vermomd als zaklamp, op Schiphol op 17 april 2014. De politierechter baseerde zich op verklaringen van de verdachte, bevindingen van verbalisanten en het feit dat het voorwerp zonder vergunning was.
De verdediging stelde dat de verdachte niet bewust was van het wapenkarakter van het voorwerp, aangezien het eruitzag als een gewone zaklamp en in Thailand was gekocht. Het hof oordeelde dat verdachte een bepaalde mate van bewustheid moest hebben gehad, mede aan de hand van een foto van het voorwerp in het dossier.
De Hoge Raad stelt dat voor een veroordeling op grond van art. 26 WWM Pro vereist is dat de verdachte zich bewust is geweest van het wapen. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom verdachte bewust was van het wapen, mede omdat de foto niet in het arrest is weergegeven en de motivering ontoereikend is.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep, waarbij de mate van bewustheid van verdachte ten aanzien van het wapen opnieuw moet worden onderzocht en gemotiveerd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.