Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
19 december 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de verdachte verworpen tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De centrale vraag was of het wrijven over de blote nek en rug van het slachtoffer kwalificeert als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 246 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De Centrale Afdeling van het gerechtshof had deze vraag bevestigend beantwoord, mede gelet op de zekere ongelijkheid tussen verdachte en slachtoffer, de vaststellingen van het hof omtrent de strekking van de handeling en de gedragingen van verdachte na de handeling. De Hoge Raad zag geen aanleiding om hiervan af te wijken.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, en de Hoge Raad volgde dit advies. Het middel van cassatie werd niet ontvankelijk geacht om verdere rechtsvragen te beantwoorden, omdat het niet bijdroeg aan de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van de Hoge Raad en twee raadsheren, en het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.