Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Heerenveen,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 december 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een arbeidsrechtelijke procedure tussen verzoekster en Stichting Meriant over de ontbinding en het herstel van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter had de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens werkweigering, maar het hof herstelde deze met ingang van 1 oktober 2016 en liet een voorziening voor de periode tussen ontbinding en herstel achterwege.
Verzoekster stelde in cassatie dat het hof onjuist had geoordeeld door geen voorziening te treffen voor de onderbrekingsperiode, stellende dat de wet dit verplicht stelt. De Hoge Raad overwoog dat de wetgever het aan de rechter heeft gelaten om te beoordelen of en welke voorziening passend is, en dat het hof terecht heeft besloten geen voorziening te treffen gezien het onbetaald verlof van verzoekster en haar late bereidheid tot werkhervatting.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde verzoekster in de kosten van het geding. Hiermee werd bevestigd dat de rechter discretionair kan beslissen over voorzieningen bij herstel van de arbeidsovereenkomst na ontbinding.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt dat rechter kan besluiten geen voorziening te treffen bij herstel arbeidsovereenkomst na ontbinding.