ECLI:NL:HR:2017:3363
Hoge Raad
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Ontslag rechterlijk ambtenaar wegens arbeidsongeschiktheid na langdurige ziekte
De Procureur-Generaal heeft bij de Hoge Raad een vordering ingediend tot ontslag van een senior rechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op grond van artikel 46i van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra). Dit ontslag wordt gevorderd wegens arbeidsongeschiktheid door ziekte die langer dan twee jaar onafgebroken heeft geduurd, waarbij herstel binnen zes maanden niet te verwachten is en duurzame re-integratie niet mogelijk is.
De Hoge Raad heeft op 20 april 2017 in raadkamer onderzoek ingesteld, waarbij zowel de betrokkene als de president van de rechtbank schriftelijk zijn geïnformeerd, maar geen van beiden heeft verzocht om een hoorzitting. De Procureur-Generaal heeft de vordering mondeling toegelicht.
Op basis van de overgelegde stukken, waaronder rapportages van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van het UWV, concludeert de Hoge Raad dat aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 46i, lid 1, Wrra is voldaan. De Hoge Raad acht de ontslagvordering gegrond en verleent per 1 mei 2017 ontslag aan de betrokkene als rechterlijk ambtenaar.
Het arrest is gewezen door de vierde kamer van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2017.
Uitkomst: De Hoge Raad verleent ontslag aan de rechterlijk ambtenaar wegens langdurige arbeidsongeschiktheid per 1 mei 2017.