In deze zaak stond de vraag centraal of belanghebbende verbonden is voor de verbintenissen van het fonds voor gemene rekening waarin hij participeert, en of dit fonds kwalificeert als een vennootschap onder firma. Het fonds werd opgericht op 30 december 2010 en belanghebbende had een participatie van 12,45 procent. Diverse overeenkomsten en financieringen werden gesloten in verband met de aankoop van een schip.
Belanghebbende bracht zijn participatie in het fonds in een besloten vennootschap in en verzocht de Inspecteur om een beschikking op grond van artikel 3.65 Wet IB 2001, die werd afgewezen. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën stelden cassatieberoep in tegen eerdere uitspraken.
De Hoge Raad oordeelde dat belanghebbende rechtstreeks verbonden is voor de verbintenissen van het fonds en bevestigde de kwalificatie van het fonds als vennootschap onder firma. Daarnaast werd het verzoek om een afzonderlijke proceskostenvergoeding voor een door een hoogleraar opgestelde juridische opinie afgewezen, omdat deze kosten reeds onder de beroepsmatige rechtsbijstand vielen.
De Hoge Raad verklaarde zowel het principale als het incidentele cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van het principale beroep. Dit arrest werd op 3 maart 2017 uitgesproken.