Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep inzake een besluit van de Sociale Verzekeringsbank op grond van de Algemene Ouderdomswet. De Hoge Raad heeft onderzocht of het beroep ontvankelijk is. Uit de stukken blijkt dat het beroepschrift pas op 29 september 2016 is ingediend, terwijl de termijn van zes weken na verzending van de uitspraak op 1 juli 2016 op 12 augustus 2016 eindigde.
De Hoge Raad heeft belanghebbende de gelegenheid gegeven om binnen vier weken na 23 december 2016 te verklaren waarom de termijn was overschreden. Deze brief werd teruggezonden wegens onbestelbaarheid en later alsnog verzonden naar het domicilieadres. Belanghebbende heeft echter niet tijdig gereageerd. Een brief die op 23 januari 2017 binnenkwam, werd als te laat beschouwd.
Gezien het ontbreken van een geldige reden voor de overschrijding, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest is uitgesproken op 3 maart 2017.