ECLI:NL:HR:2017:365

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2017
Publicatiedatum
3 maart 2017
Zaaknummer
15/05883
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verplichting gemeente tot wijziging bestemmingsplan in koopovereenkomst

In deze zaak stond centraal of de gemeente Wageningen gehouden was tot een resultaatsverplichting of slechts een inspanningsverplichting met betrekking tot de wijziging van het bestemmingsplan in een koopovereenkomst met een projectontwikkelaar.

De lagere rechterlijke instanties, waaronder de rechtbank Gelderland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, hadden eerder geoordeeld over de vraag of de gemeente voldoende inspanningen had geleverd om de bestemmingsplanwijziging te realiseren. De Hoge Raad verwijst naar deze eerdere vonnissen en arresten voor het gedingverloop.

In cassatie stelde eiseres dat de gemeente meer had moeten doen dan alleen inspanningen leveren, namelijk dat zij een resultaatsverplichting had. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van eiseres niet leiden tot cassatie en dat er geen aanleiding is om rechtsvragen te beantwoorden die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt eiseres in de proceskosten van de gemeente. Hiermee bevestigt de Hoge Raad dat de gemeente geen resultaatsverplichting had en dat haar inspanningen voldoende waren binnen de gegeven context.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de gemeente slechts een inspanningsverplichting had tot wijziging van het bestemmingsplan.

Uitspraak

3 maart 2017
Eerste Kamer
15/05883
EV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. M. Littooij,
t e g e n
de GEMEENTE WAGENINGEN,
zetelende te Wageningen,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. J.F. de Groot en mr. P.A. Fruytier.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en de Gemeente.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/05/239253 / HA ZA 13-79 van de rechtbank Gelderland van 3 april 2013, 21 augustus 2013 en 26 maart 2014;
b. het arrest in de zaak 200.151.323 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 september 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 20 januari 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 6.524,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
3 maart 2017.