Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
7 maart 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift, oplichting en witwassen, gepleegd over een langere periode met een benadelingsbedrag van ruim €290.000. Hij was eigenaar van twee bedrijven die valse facturen indienden bij de gemeente Tiel, gebaseerd op niet verrichte prestaties. Een medeverdachte, werkzaam als werkcoach bij de gemeente, leverde de gegevens voor deze facturen.
De verdachte betaalde steekpenningen aan de medeverdachte om opdrachten binnen te halen en verwerkte deze betalingen niet in zijn boekhouding, wat leidde tot valsheid in geschrift. Ondanks dat de fraude pas na een melding van de bank aan het licht kwam, zette de verdachte zijn strafbare gedragingen voort. Het hof legde een gevangenisstraf van achttien maanden op, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.
In cassatie stelde de verdachte dat de strafoplegging onvoldoende was gemotiveerd en dat de omstandigheden dat hij steekpenningen betaalde en niets had geleerd niet bewezen waren. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat uit de verklaring van de verdachte zelf deze omstandigheden konden worden afgeleid. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.