Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
14 maart 2017.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij was veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf. De advocaat-generaal concludeerde dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, maar adviseerde het beroep verder te verwerpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over bewijsmotivering en de kwalificatie van witwassen niet tot cassatie konden leiden. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden.
Als gevolg hiervan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van zeven jaar naar zes jaar en elf maanden. De rest van het beroep werd verworpen. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en bevestigde het verder.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier tijdens een openbare zitting op 14 maart 2017.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van zeven jaar naar zes jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.