ECLI:NL:HR:2017:44

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2017
Publicatiedatum
19 januari 2017
Zaaknummer
16/01572
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13bis lid 3 Wet LB 1964Art. 13bis lid 5 Wet LB 1964Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing in cassatie over bijtelling privégebruik bestelauto's

Belanghebbende, een B.V., werd geconfronteerd met naheffingsaanslagen loonbelasting en premies volksverzekeringen over de jaren 2008 tot en met 2012, naar aanleiding van een boekenonderzoek gericht op het privégebruik van (personen- en bestel)auto's door werknemers.

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat alle auto’s ter beschikking waren gesteld aan werknemers en nam een voordeel voor privégebruik in aanmerking. Belanghebbende stelde echter dat bestelauto's buiten werktijd niet gebruikt konden worden omdat deze op het afgesloten terrein werden geplaatst en sleutels werden ingeleverd.

De Hoge Raad constateerde dat het hof deze stelling niet heeft behandeld, terwijl op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 13bis lid 3 en lid 5 bijtelling niet geldt voor bestelauto’s die buiten werktijd niet gebruikt kunnen worden. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof, behoudens enkele onderdelen, en verwees de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.

Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en legde een vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende op.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nader onderzoek naar het gebruik van bestelauto's buiten werktijd.

Uitspraak

20 januari 2017
nr. 16/01572
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 11 februari 2016, nrs. 15/00023 tot en met 15/00027, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 14/1352 tot en met 14/1356) betreffende de aan belanghebbende over de tijdvakken 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008, 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009, 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010, 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 en 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 opgelegde naheffingsaanslagen in de loonbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Bij belanghebbende heeft vanaf 14 februari 2013 een boekenonderzoek plaatsgevonden, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport gedagtekend 28 augustus 2013. Het onderzoek was gericht op de fiscale verwerking in de loonaangiften van (personen- en bestel)auto’s die aan werknemers van belanghebbende ter beschikking zijn gesteld.
2.1.2.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek aan belanghebbende naheffingsaanslagen in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.
2.2.
Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat aannemelijk is dat alle in geding zijnde auto’s door belanghebbende aan werknemers ter beschikking zijn gesteld en dat de Inspecteur derhalve terecht een voordeel voor privé-gebruik in aanmerking heeft genomen.
2.3.1.
Belanghebbende klaagt er onder meer over dat het Hof heeft verzuimd een door haar aangevoerde stelling te behandelen.
De klacht treft doel. Belanghebbende heeft voor het Hof bij conclusie van repliek gesteld dat de bestelauto’s niet na werktijd door de werknemers kunnen worden gebruikt, omdat die auto’s dan op het (afgesloten) terrein van de werkgever worden geplaatst en daarbij de sleutels worden ingeleverd. Het Hof heeft deze stelling ten onrechte onbesproken gelaten. Op grond van artikel 13bis, lid 3 (tekst voor het jaar 2008) respectievelijk lid 5 (tekst voor de jaren 2009 tot en met 2012), van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt de bijtelling wegens privé-gebruik immers niet voor bestelauto’s die buiten de werktijd niet gebruikt kunnen worden.
2.3.2.
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.4. ’
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek naar de juistheid van het door belanghebbende gestelde als weergegeven onder 2.3.1 hiervoor.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent de boetebeschikkingen, het griffierecht en de proceskosten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 503, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2017.