Uitspraak
1.De bestreden uitspraak
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
21 maart 2017.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure staat de uitlevering van een opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten centraal. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie had de uitlevering toelaatbaar verklaard, maar de Hoge Raad stelt vast dat het hof niet heeft onderzocht of de opgeëiste persoon zich door een raadsman wilde laten bijstaan of dat een andere raadsman moest worden toegevoegd bij ontstentenis van de toegevoegde raadsman.
De Hoge Raad benadrukt dat op grond van de Nederlandse Uitleveringswet en het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten de voorzitter van het hof verplicht is een last tot aanwijzing van een raadsman te geven indien de opgeëiste persoon geen raadsman heeft. Dit is een wezenlijk voorschrift dat de geldige behandeling van het uitleveringsverzoek raakt.
Omdat het hof niet heeft voldaan aan deze verplichting, vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. De overige middelen behoeven geen bespreking. Hiermee wordt het recht op rechtsbijstand van de opgeëiste persoon gewaarborgd in het uitleveringsproces.
Uitkomst: Het arrest van het Gemeenschappelijk Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling met toevoeging van een raadsman.