Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3 Beslissing
21 maart 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag door het slachtoffer in gezicht en nek te steken, mishandeling, de verkoop van cocaïne en heroïne, en het plegen van vluchtmisdrijf.
Het cassatieberoep werd ingediend met een schriftuur door de advocaat van verdachte. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee is het arrest van het hof ongewijzigd gebleven. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 21 maart 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het arrest van het hof blijft staan.