Uitspraak
[X]te
[Z], Marokko (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 28 juni 2016, nr. 15/3537 WAO-V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Centrale Raad van 27 november 2015.
Hoge Raad
Belanghebbende, woonachtig in Marokko, heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van dit beroep beoordeeld. Omdat belanghebbende geen domicilieadres in Nederland had opgegeven, werd hij per aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen vier weken.
Het griffierecht is niet betaald binnen de gestelde termijn. Vervolgens heeft de griffier belanghebbende opnieuw per aangetekende brief en gewone post in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na dagtekening te verklaren waarom het griffierecht niet tijdig was voldaan. De door belanghebbende aangevoerde redenen werden niet als voldoende geacht om het verzuim te rechtvaardigen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest werd op 20 januari 2017 in het openbaar gewezen door de raadsheren C. Schaap, Th. Groeneveld en J. Wortel.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.